Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2014

Sublieme Werther in de Metropolitan Opera

Decor Werther van Rob Howel

Decor Werther van Rob Howel

Na veertig jaar was er deze maand in de Metropolitan opera de premiére van een nieuwe productie van de opera Werther van de Franse componist Jules Massenet (1842-1912). Daar profiteerden ook de bezoekers van de Pathé bioscopen van want zij konden meegenieten van een prachtige uitvoering en dat leidde tot enthousiaste reacties. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat er iemand geen emotie ervoer na het beleven van de sensuele muziek en het liefdesverhaal van Werther en Sophie. Het libretto, van maar liefst drie mannen, Blau, Millet en Hartmann, is gebaseerd op de Duitse roman ‘Die Leiden des jungen Werthers’ van Goethe (1774). De productie van Richard Eyre werd een succes niet in het minst door de aantrekkingskracht van de Duitse tenor Jonas Kaufmann, die een meesterlijke Werther vertolkte en de Franse mezzo sopraan Sophie Koch die de rol van Charlotte kent als geen ander.

Elegante melodiëen

Massenet was in zijn tijd een leidinggevend componist die er in slaagde om aan de lopende band elegante melodieën te schrijven. Hij demonstreerde een groot gevoel voor theater, harmonische vondsten en wist zijn personages buitengewoon goed te karakteriseren. De viool en cello zijn twee instrumenten die sterk bijdragen aan het ontroerende karakter van het werk Werther. De opera is een lyrisch werk met veel emotionele uitbarstingen, voornamelijk veroorzaakt door het onvermogen van het liefdespaar om hun gevoelens voor elkaar gestalte te geven in een vaste verhouding. De belofte die Charlotte deed aan haar moeder om na haar dood te trouwen met Albert staat een relatie met Werther in de weg. Wanneer al na enkele maanden blijkt dat het huwelijk tussen Albert en Charlotte mislukt en de gevoelens van Charlotte en vooral van Werther voor elkaar toenemen, lijkt een rampzalige afloop onvermijdelijk. Charlotte geeft wel zo nu en dan signalen af dat ze van Werther houdt maar ziet het als een zware zonde om haar belofte te verbreken en beheerst zich steeds op het moment dat ze zich in de armen van Werther wil werpen. Wellicht had ze steeds voor ogen dat dergelijk norm doorbrekend gedrag door een getrouwde vrouw in de 18e eeuw tot maatschappelijke verstoting leidde. Pas als Werther zich dodelijk verwondt met een pistoolschot en Charlotte te laat komt om deze zelfmoord te verhinderen, geeft ze zich gewonnen en verklaart ze de stervende Werther zonder enig voorbehoud haar liefde.

Kleurengamma

Jonas Kaufman zong in de eerst fase van het werk met enige terughoudendheid maar na de pauze gingen alle remmen los. Tederheid en passie wisselden elkaar af met gevoelens van melancholie en eenzaamheid. Het gehele kleurengamma waar de Duitse tenor over beschikt gooide hij in de strijd. Zelden zag ik de aria ‘Pourquoi me réveiller’ zo emotioneel en expressief gezongen als in deze uitvoering.  Sophie Koch liet zich meeslepen en kwam mede daardoor tot een uitzonderlijke prestatie. De rol van Charlotte’s zusje Sophie werd uitstekend vertolkt door de Amerikaanse sopraan Lisette Oropesa die al in 2008 haar debuut maakte in de Met. Een belangrijke rol was weggelegd voor de in Belgrado geboren bariton David Bizic als Albert. Vanuit psychologisch oogpunt geen gemakkelijke rol. Albert is een pragmatisch denkende man en beseft dat zijn vrouw niet gelukkig is en hunkert naar Werther. Hij denkt de onvervulde verlangens van Werther met een stille hint naar Sophie te kunnen compenseren. De door hem veronderstelde potentiële inwisselbaarheid van gevoelens voor iemand roept niet alleen twijfels op over zijn eerder begrip voor het lijden van Werther, maar ook voor de diepgang van zijn eigen gevoelens voor Charlotte. Zijn jaloezie ontbrandt wanneer hij vermoedt dat zijn vrouw de liefde van Werther wel eens zou kunnen beantwoorden. Bij zijn thuiskomst ziet hij Werther de deur uitstormen waarna hij van Charlotte eist dat zij de pistolen eigenhandig aan de bode geeft die ze naar Werther moet brengen. Met deze daad wil Albert haar dwingen haar liefde voor Werther te vernietigen. Als verdoofd volgt ze dat bevel op met alle gevolgen van dien. De in Belgrado geboren Bizic vulde zijn rol terecht heel sober in. Geen grote gebaren, geen emotionele uitbarstingen maar soms koel kijkend naar wat er in Werther omgaat. Een uitstekende prestatie.

De muzikale leiding was in prima handen bij Alain Altinoglu. De decors van Rob Howel stelden een kamer, balzaal of tuin voor. Met behulp van video’s werden snel nieuwe situaties op het podium gecreëerd.

Jammer dat deze subliem uitgevoerde opera zelden in ons land wordt vertoond. Niet alleen omdat het werk ontroert maar ook omdat het conflict tussen verstand en gevoel weer eens aan de orde wordt gesteld en tot nadenken stemt.

Advertenties

Read Full Post »

Barbier van Sevilla dit keer onder de maat

Scène uit De Barbier van Sevilla

Scène uit De Barbier van Sevilla

Rossini (1792-1868) was in de 19e eeuw een zeer populaire componist. Hij slaagde er in om binnen 19 jaar, tussen 1810 en 1829, maar liefst 38 opera’s te componeren. Daarna was het gedaan. Hij was al in1824 verhuisd naar Parijs en componeerde daar zijn laatste opera het Franse werk Guillaume Tell. Hij besteedde zijn tijd daarna vooral aan de kookkunst. Zijn populariteit was ongekend. In bijna geheel Europa kende men in de 19e eeuw maar al te goed de melodieën uit zijn opera’s. Dat was in de eerste  plaats te danken aan zijn altijd herkenbare stijl. Vooral het succes van de Barbier van Sevilla (1816), gecomponeerd in slechts twee weken, viel samen met de roem van Rossini. Zijn handelsmerk was de uitbundigheid van zijn muziek, zijn krachtige ritmes, pakkende melodieën en virtuoze aria’s en duetten. Zijn komische opera’s klinken fris en vrolijk en de daarin voorkomende ‘wijsjes’ werden in die tijd echte schlagers

Rossini’s muzikaal komische kracht bestaat bijna altijd uit de ritmisch-melodische verminking van bepaalde woorden waarbij iedere lettergreep van een woord voorzien wordt van een korte noot. Daardoor ontstaat soms een staccato-achtige ritme. Na afloop van de voorstelling gaat het publiek meestal met een opgewekt gemoed naar huis. Dat overkwam mij afgelopen donderdag juist niet in de Schouwburg van Tilburg waar de nationale opera van Tatarstan De Barbier van Sevilla opvoerde.

Humeur

Mijn humeur was voor de aanvang van de voorstelling al onder nul door de televisiebeelden van het afschuwelijke gedrag van meneer Wilders. Ik had dus wel een opkikkertje nodig en ik dacht dat te vinden bij Rosssini ’s luchtige opera. De uitvoering leek helaas meer op een imitatie van ‘Het theater van de lach’ dan een opera waar de dictie en klankkleur van de menselijke stem en acteerkunst voorop staan. Helaas, niets van dat alles. De regisseur, kennelijk onwetend wat een Italiaanse operabuffa vraagt, zette zijn personages in vrijwel alle scenes neer als een stel idioten die functioneerden als lachwekkende personages die de misplaatste lachlust en applaus van een aantal toeschouwers opriepen. Daardoor werd mijn muzikaal genieten aangetast. Ik kon me met geen enkel personage identificeren en ik ervoer geen enkele emotie. Zo ging bijvoorbeeld de bekende aria voor de sopraan ‘ una voce poco fa’ de mist in. De sopraan hield zich tijdens het zingen van haar lastige aria bezig met een zweepje om twee niet functionele schijndanseressen in toom te houden. De muzikale spanning van die aria, die door vertraging en versnelling en het aanbrengen van coloratuurzang een van de hoogtepunten had moeten zijn, ging volledig de mist in en werd afgesloten met enkele ongecontroleerde harde noten die tot mijn verbazing applaus opleverden. De overige protagonisten haalden allerlei fysieke capriolen uit om hun gebrek aan verzorgd belcantozang te camoufleren. Slechts de protagonist die de rol van de oude dokter Bartolo invulde, bracht zijn snelle parlando-aria’s met passie voor het voetlicht. Mijn stemming werd er niet beter op en ik besloot, voor de tweede keer in mijn leven, na de pauze niet meer terug te gaan om de tweede akte van een opera te zien. Hopelijk zagen de toeschouwers een beter tweede bedrijf.

Read Full Post »

Prince Igor in de Met is toch een ‘winner’

Links Stefan Kocán,rechts Ildar Abdrazakov

Links Stefan Kocán,rechts Ildar Abdrazakov

Prince Igor werd door de Metropolitain opera naar 66 landen uitgezonden. Drie miljoen kijkers konden de uitvoering zien. Zondag zag ik deze opera van Alexander Borodin (1833-1887) met nog 75 liefhebbers in de Pathé bioscoop in Tilburg. Ik zat om 11.00 uur braaf op mijn stoel met grote verwachtingen. Nog maar net 14 dagen geleden zag ik een productie uit 1998 uit het Marinsky Theater op dvd.  Mooie zang en een Russisch volksballet in traditionele klederdracht dat verwees naar een ver Russisch verleden. Echt een uitvoering voor traditionalisten. Maar op den duur was het door de herhaling van teksten en een statisch spelende cast moeilijk om de aandacht tot de laatste minuut vast te houden.

Borodin behoorde met nog vier andere Russen tot de groep die ‘het machtige hoopje’ werd genoemd. De vijf wilden een nationale, typisch Russische opera ontwikkelen en namen daarmee afstand van de westerse muziek met haar complexe muzikale motieven. Dan liever muziek met ritmes die gebaseerd zijn op de buigingen van de Russische taal met dramatische melodieën die wat eenvoudiger lijken te zingen. Borodin componeerde vier opera’s. Prince Igor was de meest spraakmakende en speelt in de 12e eeuw. De componist deed er maar liefst 18 jaar over en na zijn dood was het werk nog steeds onvoltooid. Zijn collegae Rimski Korsakov en Glazoenov namen de orkestratie alsnog voor hun rekening en voltooiden zo het werk. De Met brengt nu dus na ca. 100 jaar een nieuwe productie van de Russische regisseur Dmitri Tcherniakov.

Sterke opening

De opera begon en eindigde heel verrassend. Nog nooit zag ik zo’ n sterke opening in een opera waarin een oorlog aanstaande is. De Russen twijfelen of  ze wel ten strijde zullen trekken tegen de Polovetsers, een Tartaarse stam, omdat de hemel niet de gewenste signalen afgeeft dat het juiste moment daar is. Aanvankelijk zien de toeschouwers alleen maar vastberaden mannen wiens uitrusting wordt geïnspecteerd door Prince Igor. In de op handen zijnde oorlog zijn zij  bereid desnoods voor hun land te sterven. Daarna nemen angstige vrouwen afscheid van hun mannen. Er zijn snelle, innige omhelzingen. Ook Igors vrouw Yaroslavna, schitterend vertolkt door de Oekraïense sopraan Oksana Dyka, neemt afscheid van haar man van wie ze zielsveel houdt. Ze probeert zijn vertrek nog tegen te houden. Tevergeefs! Je ziet ook de angst bij de mannen toenemen. Wat staat hen te wachten? Tcherniakov laat de operabezoeker niet lang in het ongewisse. Hij toont in sombere zwart-wit beelden de desolate toestand waarin het leger van Igor zich tijdens de slag bevindt; veel dode en gewonde lichamen. Er vloeit bloed en de zinloosheid van een oorlog kan nauwelijks beter worden uitgebeeld. De beelden doen je denken aan de strijd tijdens de eerste wereldoorlog. Het hele leger van Igor is geliquideerd. Alleen hij zelf en zijn zoon Vladimir zijn nog in leven en krijgsgevangenen van Kahn Kocan.

Rozentuin

Weldra zien we Igor, sterk verlangend naar zijn vrouw, over zijn geliefde mijmeren. Zij is niet fysiek aanwezig maar als in een droom verschijnt ze en troost Igor te midden van een paradijs van duizenden klaprozen. Prins Igor spreekt uit dat hij, met uitzondering voor zijn vrouw, zich schaamt voor het Russische volk vanwege de nederlaag en de dood van alle Russische strijders. In die bloemenpracht ontmoet Igor vervolgens zijn opponent de heerser Kahn Konchak, pittig vertolkt door de uitstekende bas Stefan Kocin. Hij lijkt een vriendelijk heerschap die Igor tot vervelens toe duidelijk maakt dat hij geen echte gevangene is maar een gewaardeerde gast die gebruik mag maken van alle faciliteiten die hij te bieden heeft. Tijdens zijn gevangenschap negeert Igor het aanbod van zijn tegenstander om met hem een vriendschapsverdrag te sluiten. Hij zegt zelfs dat hij na een mogelijke bevrijding zijn opponent toch weer zal bestrijden.

Tussen al die rozen worden de bekende Polovetse dansen uitgevoerd. Echt stoer Russisch gaat het er niet aan toe. Dat kan op die locatie ook nauwelijks. Persoonlijk ben ik niet zo gelukkig met die rozentuin die vrijheid en een open mind moet suggereren. Er gebeurt net iets te veel tussen die rozenstruiken waarvoor men beter een andere locatie had kunnen kiezen.

Prince Igor heeft de zorg voor zijn echtgenote toevertrouwd aan de broer van de opstandige, rokkenjagende en zuipende Prins Galitsky die, met behulp van enkele ontrouwe aanhangers van Igor, de macht van de gevangen Igor over wil nemen. De Russische bas Maikhail Petrenko wist wel raad met die rol. Een ontsnapping van Igor uit het kamp van Polovetsers verijdelt Galitsky’s plan. Igor wordt door zijn mentaal sterke vrouw en zijn stadgenoten triomferend binnen gehaald. Regisseur Tcherniakov laat Igor wel de eerste zijn die het initiatief neemt om de verwoeste stad en het moreel te herstellen door puin te gaan ruimen. Igor blijkt uiteindelijk een ‘winner’.

Superbe vertolking

Het orkest speelde uitstekend onder leiding van de in Milaan geboren Gianandrea. Uit publicaties blijkt dat deze dirigent een specialist is in het leiden van Russische opera’s. De rol van Igor werd superbe vertolkt door de  Rus Ildar Abdrazakov. Hij heeft een prachtige bariton, volumineus, mooi van klankkleur en is een sterke persoonlijkheid die het karakter van Igor uitstekend weergeeft. Abdrazakov zong voor de tweede keer in een Russische opera. Zijn ultieme wens is eens de rol van Boris Godoenov te zingen. Dat komt er zeker van. De bezetting van de overige rollen was zeer goed al heeft de alt Anita Rachvelishvili met haar prachtige donkere timbre in de rol van Konchakovna een heel grote indruk op mij gemaakt. Samenvattend: Een interessante Prince Igor met een geweldig spelend orkest en een cast die zingend en acterend uitstekend voor de dag kwam met een verrassend begin en einde van deze opera.

Ik vermoed dat veel toeschouwers tijdens deze opera gedacht hebben aan het huidige conflict tussen Rusland en Oekraïne. Waar opera al niet goed voor is.

Read Full Post »

Nico Pijnenburg

Nico Pijnenburg

Om 12.00 uur een telefoontje naar good old Nico Pijnenburg met de vraag wanneer het gelegen komt om hem een interview af te nemen. Een uur later zit ik al tegenover hem. Zijn lunch zit er net op. Ontspannen in een fauteuil zegt hij tegen me dat ik maar van wal moet steken. Natuurlijk vraag ik naar de gezondheid van de 88-jarige die drie jaar geleden getroffen werd door een stevige hartaanval maar desondanks een levendige indruk maakt.

Nico en zijn vrouw Beb zijn 56 jaar getrouwd en zijn dol op muziek. Voor Nico dateert dat al vanaf de tijd van voor de tweede wereldoorlog toen zijn vader Jos een schoenenzaak had in de Heuvelstraat. Nico: ‘ Ik herinner me nog dat mijn vader sterk betrokken was bij het Cecilia mannenkoor. Hij had een goede stem en had een passie voor zang. In de oorlog was het lastig om repetitieruimten te vinden omdat door de Duitsers was voorgeschreven dat het alleen mogelijk was als je lid was van de “Kulturkammer” die toezicht hield op wat op het programma stond. Wat de Duitsers niet zinde, mocht niet worden uitgevoerd. Mijn vader stelde daarom de winkel als repetitieruimte aan het koor ter beschikking. Ik zat er dus met mijn neus bovenop. Er moest in die tijd een operette worden opgevoerd. Daar waren natuurlijk ook dames voor  nodig. Die werden aangetrokken en werden zo ook lid van het Mannenkoor. Zij moesten wel contributie betalen maar mochten zich nergens mee bemoeien. Geen wonder dat op een zeker moment het Dameskoor Cecilia werd opgericht.’

Nico zag en hoorde het allemaal aan en je zou dus denken: hij gaat net als zijn vader vroeg of laat zingen of wellicht een instrument bespelen. Die behoefte heeft hij nooit gehad. Zijn verdienste voor operaland ontstond in 1980 als  medeoprichter van een operaclub die nu bekend staat onder de naam Stichting Operaclub Nederland.

Oprichting

Hoe is het zo ver gekomen? Nico: ‘ Wij waren lid van een tennisclub. We ontmoetten er mensen die ook van opera hielden, o.a. de grote animator Fré Suijs. Hij werd later de eerste voorzitter van de operaclub. We besloten samen opera’s te bezoeken in Antwerpen, Gent en Brussel. Onze auto’s zaten spoedig vol want ook anderen wilden met ons mee. Al spoedig kwamen Fré en ondergetekende op het idee om eens te bekijken of we met een volle bus naar een opera konden gaan. Dat lukte. Er meldden zich steeds meer gegadigden en toen het aanbod kwam van Leon Mutsaerts om gebruik te maken van de door hem geïnitieerde statuten voor het oprichten van een operaclub was het een kwestie van tijd en aanpassen van de statuten en de operaclub was opgericht (11 december 1981) Het eerste bestuur bestond uit Voorzitter Fré Suijs, Jan Teurlings en mijn persoontje. Het ledental groeide snel mede door de opera-avonden die we doorbrachten bij Suijs. Die waren onvergetelijk. Suys werd mijn leermeester. Nog voor het lp tijdperk luisterden we bij hem thuis naar zijn toelichting op de inhoud en betekenis van opera’s. Zijn analyses van lastige passages verduidelijkte veel en zijn kennis over de stemmen van beroemde zangers was onuitputtelijk. Zijn voordrachten waren zo boeiend dat vrijwel iedereen ook de “zwaardere werken” leerde waarderen. Problemen met de muziek van Wagner had in die tijd vrijwel niemand. Wagner werd  mijn lievelings-componist. Niet alleen geniet ik van de romantische opera’s zoals De Vliegende Hollander, Lohengrin of Tannhäuser maar ook van Der Ring des Nibelungen en Tristan und Isolde. De Liebestod in de finale is van een onmetelijke schoonheid. Daar word je heel stil van.

Ik  herinner me nog als de dag van gisteren dat ik met Beb op een van de operabijeenkomsten naar zijn woning ging met een koffertje waarin 12 schellakplaten zaten waarop de gehele opera Tosca met Beniamino Gigli als Cavaradossi was opgenomen. We luisterden er ademloos naar. Suijs was een onvergetelijke verteller. Toen hij in 1999 overleed kwam er wel een nieuwe voorzitter maar geen grote verteller. We misten hem enorm. Het ledental bleef wel groeien. We organiseerden, zoals nu nog steeds het geval is, ieder seizoen circa acht eendaagse operareizen naar bekende theaters in Duitsland, België en Nederland. Iedere twee jaar reisden we voor een week naar een aansprekende stad: Verona, Parijs, Wenen, Berlijn en Rome. Het waren onvergetelijke reizen waarin behalve het bezoeken van opera’ s de vriendschap tussen de leden een grote rol speelde.’

Jubilaris

Nico bleef al die jaren zijn operaclub trouw. Hij is nog steeds een zeer gewaardeerd lid. Toen de club hem in 2011in de bloemetjes wilde zetten tijdens het feest vanwege het 30-jarig bestaan en hij dus als medeoprichter ook een jubilaris was, kon hij vanwege zijn hartproblemen de feestelijkheden niet bijwonen. Twee van zijn kinderen vertegenwoordigden hem. Inmiddels gaat het hem wat beter en onlangs ging hij mee naar een voorstelling in Luik. Samen met Beb bezoekt hij alle concerten in de concertzaal. Met zijn liefde voor de muziek en in het bijzonder de opera zit het wel goed. Ook is hij blij met de gang van zaken en de sfeer in de operaclub. ‘Het bestuur onder leiding van Frans van Dommelen is erg actief. Het gaat de club goed. De extra bijeenkomsten in het Willem II stadion zijn een uitstekend initiatief. Zij vergroten de band  tussen de leden en zijn een welkom initiatief om de operakennis bij de leden te stimuleren.’

Nico geniet nog dagelijks van zijn uitgebreide operadiscotheek. Zijn ervaring en kennis over dit muziekgenre maken hem tot een prettige gesprekspartner waar je nog heel wat van kunt leren.

Read Full Post »

La Straniera een vreemde eend in de bijt?

Affiche première

Affiche première

Maar liefst 56 leden van de Operaclub Nederland lieten zich op 9 maart in een comfortabele dubbeldekker naar het Aalto theater in Essen vervoeren. Het was een stralende dag. De reisleider stelde een geweldige uitvoering van La Straniera (de vreemdeling) in het vooruitzicht met topsopraan Marlis Petersen in de hoofdrol. ‘Haar staat van dienst is niet gering en haar toekomst ziet er rooskleurig uit,’ zo liet hij het gezelschap weten. De sopraan zingt op korte termijn in De Met. Net zo min als ik, zagen mijn medereizigers La Straniera van Bellini eerder. Van waar dan die grote belangstelling? Louter nieuwsgierigheid? Met de componist Bellini (1801-1834) waren de meesten wel vertrouwd. Zij herinnerden zich de prachtige opnamen van La Sonnambula, I Puritani en Norma met Maria Callas, Joan Sutherland en Luciano Pavarotti uit de jaren vijftig en zestig. Bellini is een componist om van te houden met zijn prachtige lange uitgesponnen melodieën die je in een andere fascinerende wereld brengt. Zouden de hoog gespannen verwachtingen worden ingelost? Een half etmaal later leek dat het geval. Vrijwel iedereen had met volle teugen genoten van een opera die op 14 februari 1829 in de Scala van Milaan in première ging en veel applaus oogstte. Over vrijwel één ding was het iedereen eens. Er stond een geweldige cast in Essen op het podium. Er werd schitterend gezongen door vrijwel alle solisten en bovendien waren er voldoende muzikale  hoogtepunten om op een geslaagde uitvoering terug te kunnen kijken.

Dialoog 

Een van de hoogtepunten was de dialoog in het tweede bedrijf toen de om vergeving smekende Arturo met de broer van Alaide (La Staniera) Valdeburgo een dialoog en vocale strijd aanging. Het ging daarbij om de vraag of Arturo nog eenmaal Alaide mocht ontmoeten. De opbouw was formidabel en de Russische tenor Alexey Sayapin en de in San Marino geboren bariton Lucca Grassi haalden alles uit de kast om met hun steeds sterkere argumenten het pleidooi voor hun standpunt te winnen. Niet dat de argumenten voor de handelingen van de protagonisten in het zwakke libretto van Felice Romano nu zo sterk waren; vooral hun onderbuik gevoelens overheersten. Er was weinig reflectie en de protagonisten reageerden instinctief op plotseling opkomende impulsen. Die werden voornamelijk geuit in poëtische taal. Dit verhaal, met een geschiedkundige achtergrond, werd gebracht als een krimi met als vraag wie de vreemdelinge was die zo werd begeerd door Arturo. De ontknoping zat in de finale. Zij was de koningin van Frankrijk. En wat voor een koningin? Ze werd vertolkt door een sopraan met een verrukkelijke stem die haar nootjes als briljantjes rondstrooide. De Duitse Marlis Petersen hoefde,  in tegenstelling tot de meeste belcanto opera’s, geen overvoed aan thrillers en coloraturen te laten horen. Zonder moeite en met goed gebruik van de omvang van haar heldere stem zong ze haar melodieën en voorzag die van prachtige legato-bogen. Dat gold ook voor de mezzosopraan Ieva Prudnikovaite, die de rol van de ongelukkige, door hoop en vrees heen en weer geslingerde Isoletta voor haar rekening nam. Opvallend was ook het indrukmakende geluid van de bas Bauerzhan Anderzhanov als de prior.

Aria

Het gebrek aan reflecties bij de protagonisten leidde tot weinig traditionele aria’s. Een aria is immers het instrument om datgene wat de protagonist bezig houdt of overkomt te overdenken. Over de aria valt in deze opera nog wel een opmerking te maken. De zang van de protagonisten hield dit keer meer het midden tussen een aria en een arioso. Wellicht is de term ‘gezongen declamatie’ meer op zijn plaats. Hier was geen sprake van een echt geïsoleerde traditionele aria die zich onderscheidt van het recitatief. Het ging in La Straniera niet om een stemmenfeest met stemacrobatiek vanwege de talloze versieringen zoals we die kennen bij een aantal opera’s van Rossini, Donizetti en ander werk van Bellini. In die zin was La Straniera een vreemde eend in de bijt.

Het koor dat functioneel acteerde kweet zich goed van haar taak. De regie en de decors waren respectievelijk van Christof Loy en Anette Kurz. De opera speelde zich steeds in dezelfde grote hal met pilaren af. Soms werden er andere locaties gecreëerd met behulp van doorzichtige gordijnen. Het was niet direct mijn smaak. Maar daarover valt te twisten.

La Straniera, aanvankelijk door het publiek zeer gewaardeerd, was in de tweede helft van de 19e eeuw alweer vergeten. Ik ben benieuwd of het werk zich nu wat langer kan handhaven. Het is zeker de moeite waard.

Tot 13 april aanstaande kunt u in Essen terecht voor het bijwonen van La Straniera. Ongetwijfeld geniet u dan evenzeer als de “56” van Operaclub Nederland.

Er bestaan opnamen uit 1958 van La Straniera met Renata Scotto in de hoofdrol, uit 1993 met Renée Flemming en uit 2007 met Patrizia Ciofi.

Read Full Post »