Feeds:
Berichten
Reacties

Piotr Peczala als Maurits en Anna Netrebko als Adriana

Heb je wel eens de opera Andrea Lecouvreur gezien of er van gehoord?, vraag ik heel wat operaliefhebbers. Het standaard antwoord luidt: nog nooit van gehoord. Evenmin van de componist Cilea. Dat kan ook haast niet want in ons land werd dit operadrama voor zover ik weet voor het laatst scenisch uitgevoerd in het seizoen 1928-1929. Is het werk niet de moeite waard? Ik denk het wel, want ik heb tenminste twee dvd opnamen in huis die mij even zoveel genoeglijke avonden bezorgden. Dit weekend greep ik opnieuw mijn kans in de Pathébioscoop in Tilburg. Met mij nog twintig andere operaliefhebbers die hun bezoek niet lieten afhangen van de lokale bekendheid van het werk van de Italiaanse componist Cilea (1866-1950) en de neerkletterende regenbuien. Het libretto is van Arturo Colautti naar een toneelstuk van Eugen Scribe en Ernest Legouvé. Het werk bestaat uit vier bedrijven en werd voor het eerst in 1902 in Teatro Lirico in Milan uitgevoerd.

Liefdesaffaires
De opera gaat over een operadiva van de Comédie Française, Andrea Lecouvreur, die omstreeks 1730 verliefd werd op de jonge knappe officier Maurizio. Zij weet niet dat hij in werkelijkheid graaf Maurits van Saksen is. Zijn identiteit komt aan het licht tijdens een ontvangst in de woning van de prinses van Bouillon. Daar blijkt dat de twee dames liefdesrivalen zijn. Als Adriana openlijk van haar minachting voor de prinses laat blijken, wreekt deze zich door haar mededingster een vergiftigd bosje viooltjes te sturen. Dat leidde tot een zeer heftige stervensscène van de beroemde Adriana. Cilea componeerde zijn vijfde opera waarin tal van buitenechtelijke liefdesaffaires voorkomen. De opera lijkt op een thriller en zit  daarom ook wat ingewikkeld in elkaar. De directie van de Metropolitan Opera die de beelden de gehele wereld overzond had voor een topcast gezorgd.

De steeds meer ingezette Poolse tenor Piotr Beckzala zong de rol van de zeer begeerde graaf Maurits. Dat deed hij voortreffelijk. Een open stem, volumineus, steeds meer kleurend en bovendien goed acterend zette hij een geloofwaardige graaf Maurits neer. De twee vrouwelijke hoofdrollen waren topzangeressen. De prinses werd vertolkt door de Georgische, m.i. fantastische mezzosopraan Anita Rachvelishvilli. De rol van de diva Adriana werd gezongen door een werkelijke diva namelijk Anna Netrebko. Zo kennen we haar immers ook. Ze schrikt er niet voor terug om nieuwe rollen aan haar repertoire toe te voegen en haar acteren is steeds heel bijzonder. Ook in deze voorstelling. Ze laat met behulp van bepaalde maniertjes zien hoe je een wat opgefokte sterzangeres, die meer dan normaal overtuigd is van haar bijzondere gaven, uitbeeldt. Netrebko verklaarde tijdens een interview voor aanvang van de opera dat de rol van Adriana Lecouvreur een zware rol is die een opperste concentratie eist door de vele emoties die ze moet ondergaan en dat ze er de voorkeur aan geeft niet meer in de pauze van de opera te worden geïnterviewd.

Sterfscene

De titelrol wordt meestal gezongen door lichte sopranen. De stem van Netrebko is de laatste jaren donkerder geworden. Dat kwam de betreffende rol ten goede want het werk werd daardoor dramatischer. Grootheden vertolkten in het verleden de rol van de diva: Renata Tebaldi, Montserrat Caballé, Mirella Freni, Renata Scotto, Joan Sutherland en Magda Olivero. De meest bekende aria’s van de vertolkster van de titelrol zijn “Io son l’umile ancella’ en ‘Povere fiori’. U vindt ze ongetwijfeld op YouTube.

Muziek
Adriana Lecouvreur is een opera over de vertolking van een opera uit het baroktijdperk. Echte barokmuziek horen we niet al zijn er veel snelle passages met veel korte noten. Zij worden echter afgewisseld met lange melodieuze lijnen die kenmerkend waren voor een muzikale stroming, bekend onder de naam verisme. Het was een stroming die zich vooral manifesteerde in de periode 1870-1920. Bekende veristen zijn: Giordano, Mascagni, Leoncavallo, Catalani en Puccini. Het verisme heeft ook een tijd onder kritiek gestaan van de belcanto liefhebbers omdat volgens hen acteertalent prevaleerde boven de schoonheid van de zang. De werken zijn over het algemeen doorgecomponeerd waarbij recitatieven en aria ‘s vloeiend in elkaar overgaan.

Adriana Lecouvreur is zeker de moeite waard. Onze Nationale opera toont ons weinig opera uit het verisme tijdperk. Opera’s ‘ zoals Fedora, L’amico de Fritz, Andrea Chenier en Andrea Lecouvreur staan zelden op het programma. In andere Europese hoofdsteden schijnt dat wel het geval te zijn.

Gelukkig dat er Nederlandse bioscopen zijn waar u voor die werken ook terecht kunt. Of u ook werkelijk naar de bioscoop komt om veristische opera te zien blijft de vraag, immers onbekend maakt onbemind.

Advertenties

Diana Damrau als de courtisane Violetta

De opera La Traviata van Giuseppe Verdi (1813-1901) in de Met was op 20 en 21 januari te zien in de Pathé-bioscoop in Tilburg. Ik was beide dagen verhinderd en slaagde er daarom slechts in het eerste bedrijf te zien. Ik had twee ‘spionnen’ in de bioscoop zitten om toch nog een korte recensie te kunnen schrijven. Aan hun oordeel hecht ik waarde omdat ik na het eerste bedrijf contact met hen had en onze opinie daarover vrijwel eensluidend was.
We waren er ons alle drie van bewust dat voorstellingen van een gelijknamig werk dat je eerder zag, je beïnvloeden tijdens de opinievorming van een nieuwe productie. In onze drie hoofden zaten nog de beelden en het geluid van een uitvoering uit Salzburg (2005) van de productie van La Traviata van Willy Decker met in de hoofdrollen Anna Netrebko, Rolando Villazon en Thomas Hampson. Daar waren we alle drie enthousiast over. Nu bood de Met haar publiek een nieuwe productie van Michael Mayer aan, want men verlangde in New York naar een nieuwe maar toch meer behoudende uitvoering.
Ergernis
Ik kon mijn teleurstelling na het eerste bedrijf nauwelijks onderdrukken. Ik ergerde me bijna aan alles. De bonte kleuren van de kleding en decors, verwijzend naar het midden van de 18e eeuw, bevielen me niet. Het bed van Violetta stond centraal op het podium, in plaats van de klok in de productie van Decker, als symbool voor de korte tijd die Violetta als tbc patiënt nog te leven had.

En dan de cast. De Duitse coloratuursopraan Diana Damrau presenteerde zich tijdens de ouverture op haar sterfbed. Vader en zoon Germont waren bij haar. Een soort vooruitblik dus met als mogelijkheid toepassing van flashbacks. Althans zo vatte ik het op. Damrau bleek een zeer bewegelijke courtisane die wilde vermijden dat haar optreden als zeer statisch zou worden ervaren. Haar gebarentaal riep echter afstandelijkheid op en haar maniertjes gaven haar eerder een koude uitstraling dan dat het haar charme verhoogde. De veronderstelling dat meer beweging een voorstelling realistischer maakt gaat lang niet altijd op.  Soms kwam ze over als een robot met veel beweging dus maar ook met weinig gevoel in vergelijking met Anna Netrebko.

Zingen kon Damrau wel. Ze had genoeg power om het drinklied ‘libiamo, ne’ lietri calici’ en de daarop volgende grote aria ‘E strano‘ tot een goed einde te brengen. Daarmee kwam een einde aan het eerste bedrijf waarin  natuurlijk ook de Peruaanse tenor Juan Diego Florez zijn aandeel had met  ‘Un di felice, eterea.’ Zijn stem leek me te weinig dramatisch getimbreerd voor de rol van Alfredo.

Toen ik ‘s avonds mijn twee ‘spionnen’ sprak waren we het nagenoeg over alle facetten eens maar toch hadden zij een verrassing voor mij in petto. Tijdens het tweede en vooral het derde bedrijf was het niveau omhoog gegaan, zo vertelden ze mij. Damrau zong meer open en liet met name horen in ’Addio del passato’ hoe prachtig zij pianissimo kan zingen. Koor en ballet deden het ook prima en het orkest met de nieuwe vaste Canadese dirigent Yanninck Nézet Séguin als vervanger voor de ontslagen James Levine schijnt een nieuw tijdperk van de Met te willen inluiden. Vrijwel het meeste applaus ging naar de Amerikaanse bariton Quinn Kelsey. Zijn vertolking van de rol van Vader Germont o.a. in de aria ‘Di Provenza’ moet een streling voor het oor zijn geweest.

Jammer dat ik de twee laatste bedrijven niet zelf hoorde maar ik dank wel mijn twee ‘spionnen’ voor hun berichtgeving!

Otello en Desdemona op de grond liggend

Op zondag 9 december 2018 nam ik deel aan een operareis van Operaclub Nederland naar Duisburg.
Doel van de reis was mijn lievelingsopera Otello te zien. Ik kwam er pas laat achter dat het om een productie ging van de Duitse topregisseur Michael Tahlheimer. Zijn Otello zag ik al in februari 2016. Ik was er heel  enthousiast over, getuige mijn verslag van 14 februari 2016 dat u kunt nalezen op mijn weblog www.operabeluisteren.nl.

Inktzwart podium
Vervelend om een operaproductie te zien die ik al eerder zag is bij mij niet aan de orde. Ik ben eerder benieuwd of ik nu nog zo over de voorstelling zou oordelen als twee jaar daarvoor.

In mijn zeer uitgebreide verslag op 14 februari 2016 stak ik niet onder stoelen of banken dat ik in Antwerpen erg genoten heb van de Otello die het hooggeëerde publiek kreeg voorgeschoteld. De voorstelling speelde zich net als in Duisburg af op een inktzwart aangekleed podium met in donkere kleding gestoken protagonisten die in het duister deden waarvoor ze waren aangetrokken: uitstekend zingen en acteren. Achteraf vind ik dat de voorstelling in Antwerpen me meer deed dan in Duisburg. Hoe kan dat?

Schimmen
Allereerst: ik was afgelopen zondag niet in een goede fysieke conditie om visueel goed waar te nemen. Mijn gezichtsvermogen is het laatste jaar aanzienlijk achteruit gegaan waardoor ik de protagonisten op het in duister gehulde podium  slechts als schimmen zag staan en daardoor niet in staat was te genieten van hun acteren. Een andere factor is dat ik bij iedere voorstelling in het operahuis van Duisburg ervaar dat het orkest en met name de blazers een aantal decibels te veel produceert waardoor het aan ronde tonen ontbreekt. Zeker, Otello kent enkele heftige woede-uitvallen die het orkest moet ondersteunen door fortissimo te spelen maar het mag van mij wel een tandje minder. Ik heb ook de indruk dat de akoestiek in Antwerpen aanzienlijk beter is dan in Duisburg. Dat vind ik trouwens ook van het koor en het Symfonie Orkest van Vlaanderen.

Cast

In Duisburg stond een andere cast dan in Antwerpen op het podium. De hoofdrolspelers van beide operahuizen waren zangtechnisch aan elkaar gewaagd. Beide Otello’s, in Antwerpen Ian Storey en in Duisburg  de Portugees Gustavo Porto zijn heldentenoren die over een groot volume beschikken. De rol van de Moor vereist een wankele, labiele, twijfelende uitstraling die in de zang hoorbaar moet zijn. Behoudens tijdens  het begin van het eerste bedrijf, waar Porto nog op dreef moest komen om zijn noten op het juiste tijdstip te laten landen, leverden beiden een uitstekende prestatie. De Jagorol van Simon Neal werd krachtig en vol overtuiging ten gehore gebracht. Hij wist vanaf het begin wat hem te doen stond: Otello’s geest vergiftigen waarbij het opwekken van jaloezie het belangrijkste gif was. In Antwerpen was de Bulgaarse bariton Vladimir Storyanov de kwade genius. Of hij het beter of anders deed dan de Britse Neal kan ik me niet meer herinneren. Wel dat de beide Desdemona’s schitterend voor de dag kwamen. In de Vlaamse opera was de Amerikaanse sopraan Corinne Winters de ‘rising star.’ In Duisburg zong de Roemeense sopraan Briggita Kele de rol van de naïeve Desdemona. En hoe!  Wat een prachtige stem en muzikale voordracht!

Ondanks mijn fysieke beperkingen heb ik genoten van een opera die Verdi (1813-1901) in zijn nadagen (1887) nog componeerde op aandringen van componist en librettist  Arrigo Boito en muziekuitgever Ricordi. De opera-uitvoering in Duisburg was beslist, ondanks dezelfde regisseur, geen kopie van die van Antwerpen. Ik heb inmiddels wel ontdekt hoe moeilijk het is om de verschillen aan te geven. Een mens is nooit te oud om te leren.

Marnie met echtgenoot Mark

Maandag 10 december 2018 zag ik in de Pathé bioscoop in Tilburg de opera Marnie (2017) van de Amerikaanse componist Nico Muhly (1981). Ik wist niet van het bestaan van deze opera van deze componist. Evenmin trouwens van zijn eerste opera “Two boys” (2011). Met mij nog vele anderen niet, zo bleek uit mijn contacten. Ik was dus nieuwgierig of dit werk me kon bekoren. De uitvoering was afkomstig uit de Metropolitan Opera van New York. Het verhaal is het meest bekend van een Hitchcock-film (1964), gebaseerd op de Winston Graham-roman uit 1961. Het prachtige libretto van Nicholas Wright beviel me uitstekend. De opera is een ware thriller met een grote psychologische spanning.

Het verhaal gaat voornamelijk over een vrouw, genaamd Marnie, vertolkt door mezzo-sopraan Isabel Leonard, die van baan naar baan jobt, geld steelt bij haar werkgevers, liegt en tijdens een diefstal betrapt wordt door een zekere Mark Rutland, vertolkt door Christopher Maltman. Rutland geeft haar niet aan bij justitie maar eist als tegenprestatie dat ze met hem trouwt. Tijdens dat huwelijk misbruikt hij haar. Dat huwelijk loopt dus mis. De twee passen niet bij elkaar. Marnie voelt niets voor seks met echtgenoot Mark, die daarover permanent gefrustreerd is. De jongere broer van Mark Rutland, Terry, vertolkt door een goed zingende countertenor, wil via ‘Me too gedrag’ Marnie ook verleiden. Tevergeefs! De mannen die Marnie nog meer ontmoet lijken met het zelfde sop overgoten.

Verschillende identiteiten
Marnie heeft door haar gedrag weinig rust. Omdat ze van de ene baan naar de andere snelt, voelt ze zich verplicht om steeds een andere identiteit aan te nemen om niet herkend te worden. Het resultaat is dat de kijkers vier mooi geklede vrouwen zien die op de originele Marnie lijken. Dat wil in dit geval zeggen dat het om vier blonde vrouwen gaat in uniforme kantoorjurken, genaamd Shadow Marnies. Dat levert dramatische momenten op die vooral zichtbaar worden wanneer mannen met Marnie in aanraking komen.

Forio
Een ander fragment dat me lang bij bleef is het moment dat het lievelingspaard Forio van Marnie ten val komt en uit zijn lijden moet worden verlost. Het is dramatisch om te ervaren is dat Marnies liefde voor het paard zo groot is, dat zij voor het beest de empathie voelt die ze in haar huwelijk ontbeerde voor haar man. Gekoesterd worden, aangeraakt worden en niet seksueel misbruikt! Marnie verandert en komt tot nieuwe inzichten. Ze merkt dat haar verzoenende gevoelens ten opzichte van Mark toenemen. Ze komt er ook achter dat ze jaren geleden ten onrechte is beschuldigd van moord op haar kleine broer.

Vrij zijn
In het bijzijn van agenten die haar in de slotfase van de opera vanwege de gepleegde diefstallen arresteren, komt ze tot de conclusie dat nu alles over haar bekend is en dat ze nu weet dat haar man niet de slechterik is voor wie ze hem houdt en dat ze een vrij mens is.

Muziek
De muziek is vrij toegankelijk en aangenaam om naar te luisteren. Het orkest musiceert op een wijze die me doet denken aan zeer aangename filmmuziek  maar die ik na afloop moeilijk in mijn hoofd kan reproduceren. Het orkest refereert zelden aan de zwarte kanten van dit psychologisch drama waardoor de emoties van de protagonisten meer worden gesuggereerd dan geëxpliciteerd. De muziek lijkt meer op een uitstekende begeleiding met soms ongewone harmonieën bij de dramatische momenten dan zelf een bijdrage te leveren aan de dramatische realisatie van het libretto.
De zang kent geen aria’s maar is gelardeerd met monoloogachtige passages.

Dat slechts een handvol mensen de twee voorstellingen bezocht is jammer. Toegegeven het werk is onbekend bij de meeste operaliefhebbers die van het standaardrepertoire houden. Het is ook moeilijk om een impressie te geven van een werk dat je voor het eerst ziet, zodat je vergelijkingsmateriaal mist. Maar van dit middagje opera van componist Muhly heb ik geen moment spijt gehad.

Eva-Maria Westbroek en Jonas Kaufmann in La Fanciulla del West

In de Pathé bioscoop was het afgelopen zondag 2 december 2018 goed toeven.
Puccini’s (1858-1924) La Fanciulla del West stond op het programma en werd door circa vijftig mensen bekeken. Zij zagen toe hoe onze nationale trots Eva-Maria Westbroek als Minnie, de Duitse stertenor Jonas Kaufmann als de bandiet Johnson en de Servische bariton Zeljko Lucic in de rol van sheriff Rance de in 1910 door Giacomo Puccini gecomponeerde Dat dirigent Marco Armiliato en het orkest van de Met daar een belangrijk aandeel in hadden was geen verrassing.

Achtergrond
Het verhaal speelt in de tijd van de Californische goudkoorts rond 1850. Het zou gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen. Er is een Scarpia-achtige sheriff die misbruik maakt van zijn ambt, verliefd is op ene Minnie die als eenzame vrouw ervoor heeft gekozen om tussen de vele gouddelvers te wonen die ver van huis en haard verwijderd zijn. Zij is hun toevlucht en troost wanneer zij in de problemen zitten.

Minnie is op het oog een onschuldige, moedige, vriendelijke vastberaden vrouw waarop veel mannen verliefd zijn zoals de sheriff Jack Rance. Ze is een engel met een pistool aan de riem die poker kan spelen en paard kan rijden. Ze wacht nog op de man die ze haar eerste kus wil geven. Als die in haar leven komt (de bandiet Johnson) vecht ze vastbesloten voor haar geluk. In naam van de hartstochtelijke liefde verloochent ze haar morele opvattingen, liegt zij tegen haar vrienden, speelt zij vals bij het kaartspel en bedreigt zij de gemeenschap waar ze deel van uit maakt.

Rauw leven
De cast is stoerder dan in de vroegere werken van Puccini. Dat past bij het rauwere leven van de gouddelvers dat wordt gekenmerkt door plotse opflakkeringen van mannelijke brutaliteit, aanvallen van racisme en rustpunten van een onmetelijke tederheid, eenstemmig gezongen door mannenstemmen. Het derde bedrijf kent een lynch scène die in het toneelstuk van Belasco, dat als basis diende voor het libretto, niet voorkwam. Puccini dwong zijn librettisten  Guelfo Civinini en Carlo Zangarini, deze scène in te lassen.

 

Muziek

Samenkomst gouddelvers in de bar bij Minnie

Dit keer minder legatobogen, minder afsluitende scènes die uitnodigen voor applaus en minder welluidende aria’s, maar wel een goed geïntegreerd geheel aan klanken en melodieën. De opera bereikt zo nu en dan een summum aan hysterie; de muziek is soms chaotisch, koortsachtig, vol agressieve accenten, kreten en lawaai. Het is het thema uit de liefdesscènes van het tweede bedrijf dat de koperblazers en het slagwerk woest scanderen terwijl de bandiet in de derde acte wordt ingerekend.
In het derde bedrijf zingt de bandiet Johnson de door alle grote tenoren gezongen aria ’Ch’ella mi credo libero e lontano.’ (‘Laat haar denken dat ik vrij ben en ver weg.’) Deze aria wordt schitterend gezongen door Jonas Kaufmann. Aan het slot van de opera wanneer Minnie en Johnson vertrekken horen we weer een duet dat doet denken aan vroegere opera’s die we voorheen al hoorden. Een duet in echte Puccini stijl.

Giacomo Puccini

De heldinnen van Puccini
Na de eerste serie tot lijden bestemde vrouwen (Manon, Mimi, Cio-Cio-San) ontdekte Puccini in Minnie een andere vorm van vrouwelijkheid. Ze bezit weliswaar een feminiene tederheid en vriendelijkheid maar tegelijkertijd is ze een hartstochtelijke en daadkrachtige heldin die bereid is haar geluk tot het uiterste te verdedigen. Ze lijkt een onaanraakbare vrouw, die zich van alle mannen even ver houdt, behalve van die ene die ze haar eerste kus wil geven. Ze is een heldin die in de portrettengalerij van Puccini’s actieve vrouwenfiguren een plaatsje vindt naast Tosca en Turandot.

Minnie is iemand die de liefde aanwendt als een welwillende kracht. Dat wordt duidelijk wanneer Minnie er in de finale in slaagt de individuele gouddelvers te overtuigen te verhinderen haar minnaar Johnson aan de galg te laten omkomen. Die ruwe mannen zijn daar graag toe bereid omdat Mini hen in moeilijke omstandigheden liefdevol hielp.

Favoriete rol
Tijdens een interview in de pauze vertelde Eva-Maria Westbroek dat de rol van Minnie haar meest favoriete was. Dat heeft ze al eerder bij andere gelegenheden verklaard. Tijdens haar voordracht was dat duidelijk zicht- en hoorbaar. Hoorbaar door haar tedere en bescheiden wijze van vertolken van haar gevoelige karakter maar ook weer stevig optreden wanneer het er bij haar om ging om de oprechte liefde en haar rechtvaardigheidsgevoel voor haar medemens tot gelding te brengen. Resoluut bedroog zij tijdens een kaartspel uit noodzaak de sheriff om haar minnaar te redden. Merkbaar was dat tussen Westbroek en Kaufmann sprake is van echte chemie. De wijze waarop ze elkaar aanraakten, elkaar aankeken en de voelbare spanning bij de eerste kus van Minnie, het verhoogde de spanning van de thriller die La Fanciulla del west ook was. Kaufmann zong weer weergaloos. Zijn stem leek geknipt voor de rol van een bandiet en minnaar. Zo wisselde hij zijn forte passages op bekwame wijze af met pianissimo op een wijze die door merg en been ging.

De Servische bariton Zeljko Lucic, in de rol van sheriff Rance beviel me heel goed. Hij voelt zich in die rol tussen de gouddelvers uitstekend thuis. Hij wordt door hen gewaardeerd en ze rekenen op de bescherming van hun bezittingen. Bovendien is hij bereid om een bandiet die de directe omgeving onveilig maakt, desnoods met veel moeite op te sporen en gevangen te nemen. Maar zelfs hij blijkt niet vrij van het overtreden van ethische regels door zijn hevige passie voor Minnie gepaard te laten gaan met vocaal geweld en haar een eerloos voorstel te doen. Mooi was de scène in het eerste bedrijf toen Rance en Minnie aan de bar elkaar een glas met alcoholische drank toeschoven en weer verwijderden om hun gevoelens voor elkaar op dat moment tot uitdrukking te brengen. Rance verliefd, zij afwijzend. Opvallend is dat in tegenstelling tot de andere grote opera’s van Puccini deze opera wordt afgesloten zonder dodelijke slachtoffers!

De opera La Fanciulla del west van Giacomo Puccini ging in première op 10 december 1910 in New York. Het succes was groot.

Geen wonder, de hoofdrollen werden vertolkt door Emmy Destinn als Minnie, Enrico Caruso als Dick Johnson en Pasquale Amato als Jack Rance. Arturo Toscanini was de dirigent.

Leonard Bernstein

Wat ik kon verwachten wist ik niet. Ik was door iemand getrakteerd om met mijn echtgenote deze opera in de Schouwburg van Tilburg te bezoeken. Ik kende de componist uitsluitend van zijn opera’s Porgy en Bess en West Side Story. Die muziek beviel me goed. Maar van A Quiet Place had ik nog nooit gehoord.

De première van het werk was in op 17 juni 1983 in Houston. De recensies waren negatief en onaangenaam. Er kwam een gereviseerde versie op 19 juni 1984 in de Scala van Milaan. Die werd wel een succes waardoor de opera één maand later werd opgevoerd in Kennedy Center in Washington. In 1986 volgde nog een nieuwe productie in Wenen. Er werd nog meer gesleuteld aan het werk van Bernstein zodat het meer leek op een kamerversie door aanzienlijke coupures en toevoegingen van ouder materiaal. In 2013 ging deze versie in Berlijn in première. Vermoedelijk is Opera Zuid het enige gezelschap dat op Bernstein’s honderdste geboortejaar de versie van A Quiet Place in Nederland op de planken bracht. Vanaf 15 november tot en met 9 december kan men in verschillende plaatsen in Nederland terecht om deze uitvoering te zien. Wat mij betreft een aanrader!

Uitstekende orkestratie
Ik heb genoten van de voorstelling. Het was verfrissend weer eens een nieuwe opera te zien en te horen ook al werd die in Tilburg semi-concertante opgevoerd. Het succes was vooral te danken aan het voortreffelijk spelend orkest Philharmonie  Zuidnederland onder leiding van Karel Deseure. Zonder een goed spelend orkest is de basis voor een geslaagde opera-uitvoering praktisch nihil. Er klonk hier een fris spelend orkest waarin de Amerikaanse sound zeer herkenbaar was en vrolijke stukken en dramatische delen elkaar afwisselden. Het deel van de muziek dat teruggaat op Bernstein’s Trouble in Tahiti, Candide en West Side Story klinkt zeer melodieus. Dat is wat minder met de overige muziek. Voor sommige toeschouwers was die wat moeilijk acceptabel omdat het dan niet meer aan hun verwachtingen beantwoordt. Die afwisseling, maakte juist voor anderen echter de opera weer erg aantrekkelijk.

Communicatieproblemen
Een jazz trio, dat gevormd werd door Veerke Sanders, Jeroen de Vaal en Rick Zwart dook tijdens de uitvoering op verschillende momenten op en beschreef het leven van het echtpaar Sam en Dinah als een ideale idylle met een luxe bestaan waar het leven genoten werd, en zij deden dat voortreffelijk. De werkelijkheid zag er echter anders uit. Opera is dramma per musica leerden we in onze operaboeken. In 1595 was dat de juiste definitie. Nou Bernstein liet dat ook zien. In de eerste acte worden de toeschouwers geconfronteerd met de begrafenis van Dinah.  Zij kwam om door een auto-ongeluk. Het gaat er wat rommelig aan toe mede omdat de zoon van het echtpaar te laat kwam opdagen en de herinneringen aan de overledene gepaard gaan met complimenten maar ook met pittige teksten van Kahlil Gibran waarvan ik niet de indruk kreeg dat de aanwezigen die oppikten. Al snel wordt het duidelijk dat het huwelijk van Sam, gezongen door de ervaren bas-bariton Huub Claessens en Dinah, vertolkt door de sopraan Turya Haudenhuyse, door hun tegengestelde karakters en egoïstische instelling meer ruzie veroorzaakte dan een huwelijk verdragen kan.

Escalatie
Van een gezinsleven met hun kinderen komt ook niet veel terecht. Sam en Dinah zijn al 40 jaar bij elkaar maar zijn totaal van elkaar vervreemd. Het is hun niet mogelijk om ook maar één probleem op te lossen omdat het vermogen tot communicatie bij beiden ontbreekt. Sam junior, schitterend vertolkt door de Nederlandse bariton Michael Wilmering, is naar Canada geëmigreerd om de dienstplicht te ontlopen tijdens de Vietnamoorlog. Zijn jongere zus Dede, vertolkt door de Belgische sopraan Lisa Mostin, is hem achterna gereisd en gehuwd met François, die tevens de homofiele vriend van Sam junior is. De Italiaanse tenor Enrico Casari speelt en zingt  de rol van Francois. De emoties lopen ook tussen hen hoog op. Tegen het einde van de opera omhelzen alle protagonisten elkaar, overtuigd als ze zijn dat ze nog echt moeten leren communiceren. Is het huisje waarin Sam senior en Dinah woonden uiteindelijk  A Quiet Place geworden?

Om half twaalf waren we weer thuis. Beiden heel tevreden met een voorstelling waarin we ons lieten verrassen door een niet alledaagse opera die niet op het standaard repertoire staat van de operahuizen. Toch is het werk meer dan de moeite waard. Ga er heen en overtuig u zelf!

Anita Rachsvelishvilli als Ljoebasja

Wat een verrassing! Circa 100 operaliefhebbers in Goirle waren zo moedig om een voor hen onbekende opera in het Cultureel Centrum Jan van Besouw te gaan zien. Waarom moedig? Het is nu eenmaal een feit, dat een onbekend werk, zeker als het van Russische makelij is en bij de westelijke landen geen bekendheid geniet, geen of weinig massa’ s mensen op de been brengt. Daarom was het toch een verademing dat er bijna 100 mensen het avontuur aangingen om naar een operaregistratie van De Bruid van de Tsaar te gaan die op een groot filmdoek werd vertoond. Ze moesten, zoals ze na afloop vertelden, wel wennen aan de Russische taal en aan het Sprechgesang maar allengs genoten ze steeds meer van de muziek van de componist Nikolaj Rimski Korsakov(1844-1908).

Deze componist was een van de vijf componisten die zich in Rusland ‘ Het Machtig hoopje ‘ noemden en zich vooral lieten inspireren door de Russische geschiedenis, sprookjes en volksmuziek. Rimski Korsakov had de Russen al verblijd met de opera ‘s Sadko, Het Sneeuwmeisje, De Onzichtbare stad Kitesj en De Gouden Haan. Het beluisteren van deze werken vereist absoluut een wat andere luisterhouding dan het Italiaanse belcanto waarvoor de meeste operaliefhebbers hun voorkeur uitspreken.

Regisseur Tcherniakov links en dirigent Barenboïm rechts

 Virtuele tsaar
De uitvoering die nu getoond werd had nog een extra moeilijkheidsgraad omdat de 48 jarige Russische regisseur Dmitri Tcherniakov het libretto extreem actualiseerde van de 16e eeuw naar het huidige tijdsgewricht. In de ouverture werden de dictators: de tsaar Iwan de Verschrikkelijke, waarover deze opera oorspronkelijk zou gaan (1530-1584), Lenin, Trotski, Stalin, Jeltsin en Poetin gesymboliseerd door een virtuele tsaar wiens tv-portret een compositie was van de portretten van al deze heersers. Deze tsaar draait het Russische volk met behulp van moderne communicatiemiddelen en een projectie van mails een rad voor ogen. Tcherniakov bleef tijdens de vier bedrijven consequent vasthouden aan de uitgangspunten van zijn regie.

Intriges
Tijdens de eerste acte maakte het publiek kennis met Georgy Grasnoy, vertolkt door de krachtige Duitse bariton Johannes Martin Kränzle, als de leider van de Opritsnjik, de geheime politie speciaal ter bescherming van de tsaar. Hij bleek een macho te zijn die pochte over zijn vroegere vrouwelijke veroveringen maar was nu wanhopig omdat hij er niet in slaagde om de vrouw waar hij hopeloos verliefd op was in zijn armen te krijgen. En dat nog wel nadat hij zijn echtgenote Ljoebasja de bons had gegeven. Het ging om Marfa wiens hand door haar vader Sobakin, prachtig vertolkt door de bas Anatoli Kotsjerga, was vergeven aan een zekere Likov, gezongen door de tenor Pavel Cernoch. Ljoebasja’s verzoeningspoging met Grasnoy tijdens de finale van de eerste acte mislukte tijdens een spannende dialoog die in een handgemeen eindigde. De door mij op dit ogenblik meest bewonderde mezzosopraan, Anita Rachsvelishvilli, zong daarbij als Ljoebasja de sterren van de hemel en haar acteerprestatie was verbazingwekkend.
Grasnoy bleek in deze opera de kwade genius die de arts Bomelius overhaalde een gif te brouwen dat Marfa’s keuze zou beïnvloeden en hem de mogelijkheid zou verschaffen om Marfa in zijn klauwen te krijgen. Het zou hem niet lukken omdat Ljoebasja, dit gif verwisselde met een ander verderfelijk gif, ook afkomstig van Bomelius.

Trouwfeest Marfa en Likov dat geen vervolg zou krijgen

 Slechte afloop
De Russische tsaar wilde inmiddels een bruid kiezen uit enkele honderden Russische meisjes. Zijn keuze viel uiteindelijk op de mooie Marfa, tevens de rivale van Ljoebasja. Het gevolg was dat Marfa begeerd werd door drie mannen: Grasnoy, Likov en de Tsaar. Je kon op je vingers natellen dat deze opera verkeerd af zou lopen. De gevolgen waren niet gering: Likov,  door Grasnoy beschuldigd van het toedienen van gif aan Marfa, werd daarvoor vermoord op bevel van de Tsaar door Grasnoy. Grasnoy stak ook Ljoebasja dood en pleegde daarna zelfmoord. En Marfa? Zij was door het gif totaal van streek en constant in de war. Zij leed aan waanbeelden en vertoonde spastische bewegingen, dacht Likov voor zich te hebben maar in werkelijkheid was dat Grasnoy. Ook zij stortte neer na een tsunami van emoties.

De rol van Marfa werd gezongen door de voortreffelijke sopraan Olga Periatyko. Vooral in de slotscène, die in dramatisch opzicht zeer heftig was, wist zij een boeiende presentatie te geven van het grootste slachtoffer van deze opera.

De geluidsopname van de in 2013 gemaakte registratie in het Schiller theater in Berlijn was voortreffelijk. Vooral ook door de bezielende leiding van dirigent Daniël Barenboim en het spel van de Staatskapelle Berlijn.

De toneelbeelden van Dmitri Tcherniakov en de personenregie maakt deze voorstelling tot een voortreffelijke uitvoering van De Bruid van de Tsaar. De Goirlenaren lieten na afloop hun waardering blijken.